Leesimpressies

  • Daniel Dennett: De betovering van het geloof

  • Nr. 19 - 2008
  • Honderden miljoenen en waarschijnlijk miljarden mensen zijn overtuigd aanhanger van een godsdienst. In Nederland speelt religie na lange tijd weer de eerste viool. Onze regering kent een meerderheid van twee christelijke partijen en met de komst van een grote groep nieuwe Nederlanders heeft de islam haar intrede gedaan. Op mij heeft religie nooit aantrekkingskracht uitgeoefend. De kiem voor mijn ongeloof is gelegd op de zondagsschool. Er waren twee soorten bezwaren: het waarheidsgehalte leek me kwestieus en ik vond het geen interessante manier van in het leven staan. Alle waarheid in één boek is geen optie. De woorden ter onderbouwing van die opvatting trof ik later, soms veel later. Voor het eerste bij Richard Dawkins (God als misvatting), voor het tweede bij Bertrand Russell (Why I am not a Christian). Blijft de vraag waarom zo velen zich wel geroepen voelen tot een godsdienstige levensbeschouwing? Mijn ongeloof is niet eenvoudig om te draaien als legitimatie voor wel geloven. Sinds het boek Darwins gevaarlijke idee koester ik grote bewondering voor de Amerikaanse filosoof Daniel Dennett. Hij schreef in 2005 een boek waarin mijn verwondering behandeld wordt. Is daar het antwoord te vinden?


    Dennett heeft zijn boek geschreven voor een Amerikaans publiek. Zijn verbazing over de opkomst van een fundamentalistisch soort protestantisme is daar debet aan. Zelf is Dennett niet gelovig. Hij wil het verschijnsel bestuderen zoals je dat ook met andere natuurlijke fenomenen doet. Dat is geen vanzelfsprekendheid. Veel onderzoek gaat gebukt onder vooringenomenheid. Tegenstanders willen het geloof bekritiseren en aanhangers gaan op voorhand in de verdediging. Methoden van onderzoek zijn besmet door de startpositie van waaruit de onderzoeker vertrekt. Daarom bepleit Dennett meer onderzoek waarbij wetenschappelijke spelregels zoals de double blind benadering gerespecteerd worden. Zolang die informatie beperkt beschikbaar is, brengt Dennett verslag uit van zijn eigen zoektocht.

    Een logisch startpunt vormt de vraag naar de ontstaansgeschiedenis. Dennett wijst erop dat religie weliswaar heel oud is maar niet altijd heeft bestaan. Eerst was er de mens pas later het geloof. De vraag die hij relevant acht, is ontleend aan het evolutionaire denken: cui bono? Wie had er voordeel van om een religie te beginnen? Religie is ontstaan toen de mens een zwervend bestaan inruilde voor een sedentair leven. Verkerend in een vaste omgeving groeit de behoefte om van je medemensen op aan te kunnen. Je moet iets met elkaar delen om tot samenwerking te komen. Religie voorziet in die behoefte. Een bestaansgrond voor het startpunt van het geloof verklaart nog niet waarom het zich weet te handhaven bij gewijzigde omstandigheden.

    Een belangrijke succesfactor voor het geloof is dat het mee verandert met de omstandigheden. De eeuwige waarheid houdt nauw contact met de tijdgeest. Het geloof is ontstaan uit volksreligie dat wil zeggen een soort godsdienst zonder geschreven geloofsbelijdenis of vrijgestelde functionarissen. Ook het Godsbegrip is voorwerp van voortschrijdend inzicht. De personalistische God van weleer is vervangen door een abstract idee van een God. Natuurwetenschappelijke ontdekkingen hebben een letterlijke interpretatie van godsdienstige opvattingen steeds minder aantrekkelijk gemaakt. Gelovigen hebben dat opgelost door de koers te verleggen naar vooral symbolische betekenissen. Godsdiensten zijn voortdurend in beweging. Dagelijks worden twee tot drie nieuwe godsdiensten gesticht en hun karakteristieke levensduur is minder dan tien jaar. Amerika met zijn vrije marktwerking kent meer dan 1500 afzonderlijke religieuze denominaties. Dat maakt de vraag actueel waarom sluiten mensen zich nu aan bij een godsdienst? Godsdienst is een fenomeen dat via de cultuur wordt overgedragen en niet door de genen. De meeste gelovigen krijgen in de opvoeding hun religie aangereikt. Voor velen geldt in de ogen van Dennett de wens om een goed mens te zijn en zij zien in het geloof de beste manier om een zinvolle invulling aan hun leven te geven. Het zou interessant zijn om onderzoek te doen naar het waarheidsgehalte van deze hypothese. Is het zo dat het leven van gelovigen zinvoller is dan van niet-gelovigen en hoe stel je dat vast? Er zijn aanwijzingen dat regelmatige kerkgangers minder hartaanvallen krijgen dan niet-kerkgangers. Mochten gelovigen in gezondheidsstatistieken beter scoren dan is dat geen enkel bewijs voor het bestaan van God. Net zo min als de evolutietheorie een bewijs voor het tegendeel vormt. Hooguit heeft Darwin het bewijs geleverd dat het scheppingsverhaal krakkemikkig in elkaar steekt. Dat raakt aan het vraagstuk van de relatie tussen wetenschap en godsdienst. Daar heeft wetenschapper Stephen Jay Gould een aardig boek overgeschreven: Rocks of ages. Hij propageert een vorm van vreedzame coëxistentie. Hij spreekt over het principe van NOMA ofwel non-overlapping magisteria. Wetenschap en geloof bestrijken verschillende domeinen die elkaar kunnen aanvullen. Het gaat pas mis als de een zich mengt in de wereld van de ander. Wetenschap gaat over de feitelijke wereld en godsdienst over de moraal. Gould vat dat als volgt samen: wetenschap verklaart wat de hemel is en religie hoe je er komt. Het verfrissende aan vooraanstaande wetenschappers als Dawkins, Dennett en Gould is dat zij niet in tongen spreken maar op een nuchtere analytische manier naar een verschijnsel als religie kijken.