Leesimpressies

  • Daniel Kehlmann: Roem

  • Nr. 13 - 2009
  • Beeldbepalend in de Duitstalige literatuur zijn al vele decennia Günter Grass en Martin Walser. Als tachtigers zijn zij het stadium van wonderkind wel voorbij. Voor de vacature van die functie duikt de naam van Daniel Kehlmann op. Hij werd als kind van een regisseur en actrice in 1975 te München geboren en groeide op in Wenen. Onlangs verscheen zijn roman Roem, zijn achtste boek inmiddels. Met zijn voorlaatste roman Het meten van de wereld brak hij internationaal door. Dat werk was opgebouwd rond de levens van twee grote wetenschappers, Von Humboldt en Gauß. Behalve de confrontatie tussen twee zonderlinge persoonlijkheden was er daarnaast sprake van twee botsende visies. Je kunt de wereld meten door op reis te gaan maar ook door thuis na te denken. Is de theorie de beste leermeester of de praktijk? Ontstaat inzicht uit ervaring of uit reflectie?


    Het is opvallend dat een productieve jonge schrijver als Kehlmann drie en een half jaar heeft uitgetrokken alvorens Roem uit te brengen. Het betreft een roman in negen verhalen. Er lopen dunne draden van het ene verhaal naar het andere. In het openingsverhaal getiteld ‘Stemmen’ heeft een computertechnicus voor het eerst een mobieltje aangeschaft. Hij krijgt daarop voortdurend telefoontjes van mensen die denken Ralf aan de lijn te krijgen wat later blijkt te gaan om de acteur Ralf Tanner. Het saaie bestaan van de computertechnicus krijgt zo een nieuwe dimensie. Bij een telecombedrijf blijkt een fout gemaakt waardoor bestaande nummers opnieuw zijn uitgegeven blijkt dan weer uit het voorlaatste verhaal. In het vierde verhaal, ‘De uitweg’, is Ralf Tanner zelf de hoofdpersoon. Hij raakt in een crisis want van de ene op de andere dag krijgt hij geen telefoontjes meer. Meermalen per dag zoekt hij zijn eigen naam op via Google. Hij corrigeert de fouten in het artikel op Wikipedia over hem en bekijkt een filmpje op YouTube waarin een Ralf Tanner-imitator optreedt.


    Gevreesd moet worden dat Kehlmann een postmoderne roman heeft willen schrijven of erger nog een parodie op een postmoderne roman


    Kehlmann speelt permanent een spel met de werkelijkheid. Verschillende van zijn personages oefenen het beroep van schrijver uit. In twee verhalen met dezelfde titel te weten ‘In de gevarenzone’ maken we kennis met de schrijver Leo Richter. Een ander verhaal is opgehangen aan een personage dat hij bedacht heeft. Het gaat om een oudere vrouw die gekozen heeft om in Zwitserland haar levenseinde te vinden. Dan ontstaat een discussie tussen auteur en personage waarin het voornemen op losse schroeven raakt. Identiteiten van personages raken in verwarring terwijl de moderne media hun alom tegenwoordige rol spelen. Een verhaal is zelfs helemaal geschreven in het chatjargon dat thuishoort op een internetforum. ‘Een bijdrage aan de discussie’ luidt de titel. Gevreesd moet worden dat Kehlmann een postmoderne roman heeft willen schrijven of misschien wel een parodie daarop. Als lezer probeer je de verbindingen tussen de verhalen te leggen en zoek je naar betekenis. Zonder veel te vinden overigens in mijn geval. In verschillende verhalen wordt zijdelings melding gemaakt van boeken geschreven door de Braziliaanse auteur Miquel Aristos Blancos. In een ander verhaal is deze Blancos zelf de hoofdfiguur. Kehlmann geeft hem onmiskenbaar de trekken mee van bestsellerauteur Paulo Coelho inclusief de bijbehorende zweverige boektitels zoals ‘Vraag de kosmos, hij zal spreken’ of ‘De weg van het zelf naar zichzelf’. Is dat geestig of niet eerder melig.

    Het is of je bij lezing twee cryptogrammen door elkaar moet oplossen. Wat het boek dragelijk maakt is de lichtvoetige toon waarmee het is geschreven. Daar laat Kehlmann zijn talent onverbloemd zien. Sterke zinnen volop. De roman is, zeker door de gekozen opzet, echter erg fragmentarisch en de beschreven personen ontstijgen het niveau van marionetten niet. Er valt weinig echt te genieten. Hoewel ik niet alles van Kehlmann gelezen heb, is dit in mijn ogen zijn meest steriele boek. Het is ook niet direct het type boek dat bij hem past. In zijn enige boek met beschouwend proza, Wo ist Carlos Montufar, bespreekt hij schrijvers die hij bewondert. Daar is plek voor auteurs als Stendhal, Hamsun, Celine, Salinger, en Updike. Een lijstje met namen van de eerste rang maar niet per se vertegenwoordigers van het postmodernisme.

    Het ligt voor de hand te denken dat Kehlmann zichzelf een experiment heeft willen opleggen. Een type boek als Roem moest er een keer komen al was het maar als vingeroefening. Talent zoekt een uitweg. Dat heeft geresulteerd in een zeer bedacht boek waarin mensen van vlees en bloed ontbreken. Is niet een probleem dat deze getalenteerde jonge schrijver te veel tijd achter zijn bureau doorbrengt en op zijn hersenen leunt? Al dat gekraak levert niet per definitie indrukwekkende literatuur op. Wat meer rauwheid en wat minder gekunsteldheid zou een verademing zijn. Het schrijverschap van Kehlmann is gebaat bij een poosje slapen onder bruggen en viaducten met af en toe een maaltijd uit een vuilnisbak.