Leesimpressies

  • Jean Echenoz: Ravel

  • Nr. 10 - 2008
  • Medio maart is de periode voor de lentekriebels. De natuur showt voorzichtig een nieuwe garderobe. Na een incubatietijd van een halfjaar steekt het terrasvirus de kop op. In de buitenwereld verandert van alles. De schaatsen gaan in het vet, in België fietsen ze over kasseien van Gent naar Gent of van Kuurne naar Kuurne. Aan niet sportliefhebbers is moeilijk uit te leggen dat die afstand 200 kilometer bedraagt. In Amerika is springtraining begonnen. Gaan de Yankees de hegemonie van de Red Sox doorbreken? Wint A-Rod of Big Papi? In Amerika zijn de boegbeelden van een club geen algemeen directeur of voorzitter van de Raad van Commissarissen maar vind je hen waar ze horen: op het veld.

    In de binnenwereld van de kunst gaat alles gewoon z’n vertrouwde gang. “No country for old man”is niet gebonden aan een seizoen. Pas was ik aanwezig bij een koffieconcert. Het Hagenkwartet, twee broers en een zus aangevuld met een meneer Schmidt op tweede viool, vertolkten op prachtige wijze werken van Dvorak en Smetana. Waar haal ik de tijd vandaan om vaker concerten bij te wonen, was de hinderlijke gedachte na afloop. Tijd om een boek te lezen over een musicus is er gelukkig wel.


    Echenoz is een Franse schrijver van wie zo’n vijf boeken in het Nederlands vertaald zijn. In elk boek lijkt hij een ander genre te beoefenen. Deze keer betreft het een geromantiseerde biografie over Ravel of eigenlijk over de laatste tien levensjaren van de componist. Ravel, van Baskische origine, leefde van 1875 tot 1937. Hij bleef lang bij zijn ouders wonen, trok vervolgens bij een broer in maar trouwde nimmer. Het boek opent met de componist in bad. Hij maakt zich gereed voor een reis naar Amerika. Op de dag van vertrek heeft hij nog precies tien jaar te leven. Echenoz beschrijft met laconieke afstandelijkheid het leven van Ravel. Hij waagt zich zelden aan een beschouwing over wat zijn hoofdpersoon denkt of voelt. Alle aandacht gaat uit naar wat hij doet. Dat levert een gemengd beeld op. De aanpak van Echenoz belemmert de identificatie met de geportretteerde. We krijgen een nauwkeurig beeld van Ravel maar voor medeleven is weinig plaats. We zien een eenzelvige kunstenaar met de trekken van een dandy. Een groot deel van de slechts 123 bladzijden is gewijd aan het verblijf op het passagiersschip. Ravel gaat op reis en neemt mee: zestig overhemden, twintig paar schoenen, vijfenzeventig stropdassen en vijfentwintig pyjama’s. Verder is er een koffertje barstensvol Gauloises. Ravel verkeert op de toppen van zijn roem. Met Stravinsky deelt hij de eer van meest gewaardeerde musicus. Bij aankomst in Amerika wacht hem een grote ontvangst met persfotografen en karikatuurtekenaars. De toespraakjes en ontmoetingen gaan aan hem voorbij, want hij verstaat geen Engels. Die omstandigheid is symbolisch voor wat hem overkomt. Echenoz beschrijft stap voor stap hoe Ravel steeds verder in een isolement geraakt. Hij lijdt aan vermoeidheid en raakt gevangen in zichzelf. Terug in Frankrijk zet dit patroon zich voort. Bij een optreden op de ambassade in Madrid slaat hij bij het spelen van zijn eigen sonatine een stuk over en begint te vroeg aan de finale. Zijn creatieve impasse zal nog twee keer een opleving kennen. In de laatste tien jaar wordt de Bolero geboren en componeert hij voor de eenarmige Paul Wittgenstein een pianostuk voor de linkerhand. Die twee werken vormen een bron van conflict als de uitvoering niet naar zijn zin is. Dirigent Toscanini wekt ergernis met zijn interpretatie van de bolero en ook de verhouding met Paul Wittgenstein raakt bekoeld. De lichamelijke ongemakken verergeren. Slapeloosheid was altijd al een probleem. Het geheugen laat hem in de steek en hij wordt zwijgzamer en zwijgzamer. Onderzoeken en behandelingen volgen elkaar vruchteloos op. Ravel lijdt aan een ondefinieerbare neurologische aandoening. Ziekten als Alzheimer en Parkinson waar je als leek aan denkt waren toen al bekend en werden kennelijk niet van toepassing geacht. Onontkoombaar glijdt het leven uit Ravel weg. Echenoz heeft er een soort van case-study van gemaakt. In welsprekende bewoordingen met oog voor detail komt de ondergang van een kunstenaar op de lezer af. Het deed mij denken aan wat Julio Cortazar indertijd heeft gedaan in Achtervolgd uit 1971 met het leven van saxofonist Charley Parker. Ook in die novelle is er de onafwendbare ondergang van een hoogbegaafde muzikale geest. Bij Parker is sprake van zelfdestructie. Een gooi doen naar het hoogste dat altijd onbereikbaar blijft eist een tol. Er zit een grote dosis tragiek in dergelijke verhalen. Aan de ene kant is er dat grote talent maar aan de andere kant de broze persoonlijkheid die lichamelijk of geestelijk niet uit de voeten kan met de rijkdom aan bagage. Van Ravel is weinig bewaard gebleven. Hij had geen testament. Er is geen filmfragment en evenmin een geluidsopname van zijn stem beschikbaar. Hij wordt vooral herinnerd om een werk dat hij in zijn nadagen componeerde en dat inmiddels geëvolueerd is tot een seksuele metafoor. Een daverend hoogtepunt.