Leesimpressies

  • Jean-Marie Gustave Le Clézio: In volle zee

  • Nr. 23 - 2009
  • D-Day is een AOW-leeftijd geleden. Enkele dagen na Barack Obama liep ik in Normandië over Omaha Beach. Bij protocollaire aangelegenheden is volgorde veelzeggend. De schillen en de dozen zijn inmiddels opgeruimd zoals je van een druistig mannetje als Sarkozy mag verwachten. Enkele boeken van Franse schrijvers zaten in de koffer. Toen J.M.G. Le Clézio de Nobelprijs kreeg toegekend, had ik vaag van hem gehoord maar nooit iets gelezen. Zijn naam leek te veel een anagram van Coelho, zweverige apostel van een stukje zingeving. De titel In volle zee verdiende een eerlijke kans. Je kunt een schrijver moeilijk aanwrijven dat zijn naam lijkt op iemand die je tegenstaat. Le Clézio is een moderne nomade en zijn boeken ademen een kosmopolitische sfeer. De achterflap stemt hoopvol.

    Het boek van Le Clézio bevat twee hoofdrolspelers tussen wie, ondanks een groot leeftijdsverschil, een hechte maar complexe band bestaat. Er is het ongelukkige tienermeisje Nassima. Haar vader heeft de wijk genomen naar Martinique en haar liefdeloze moeder is gefrustreerd achtergebleven. Daarnaast is er de 58-jarige Juan Moguer, schipper van het zeiljacht de Azzar. Verkleed als jongen gaat Nassima aan boord van het schip dromend van een interessanter leven. Als Moguer de verstekeling ontdekt, zal het geruime tijd duren voordat hij door heeft met een meisje van doen te hebben. Dat is al merkwaardig want jonge vrouwen vormen zijn specialisme. Moguer is eigenlijk een gevierd filmer maar in het boek wordt dat wel steeds verteld zonder dat je daar veel van merkt. Zuipen en lanterfanten vormen zijn bezigheden. Moguer is een cliché van de artistieke vrijbuiter. Al snel begint In volle zee irritatie te wekken. De ergernis neemt zulke vormen aan dat er al gauw geen bekommernis meer overblijft voor het verhaal en de personages.


    Voor de jury van de Nobelprijs, de schrijver, de vertaalster en de uitgever past een klassieke sanctie: op een strontkar door Staphorst


    De compositie is gebrekkig. Er zijn wisselingen van tijd en plaats waar moeilijk een touw aan valt vast te knopen, zelfs geen landvast. Tijdens de reis op zee ziet Nassima een boot. Ze weet niet of het de twaalfde of de achttiende dag is. Een merkwaardig dilemma. Ligt twijfel tussen elf en twaalf of desnoods tussen zeventien en achttien niet meer voor de hand? Enkele bladzijden verder tijdens dezelfde reis weet Nassima opeens zeker dat het kerstmis is. Wat voor kalender is daar aan boord?

    Bijfiguren duiken onverwacht op en verdwijnen nog onverwachter als in een op hol geslagen klucht. Door het hele boek heen duikt er een merkwaardig soort jargon van scheepvaarttermen op. Zo is er regelmatig sprake van een longroom. Volgens mijn woordenboek staat dat voor een gemeenschappelijke kamer voor officieren op een oorlogsschip. Een longroom op een zeiljacht?

    Het taalgebruik mag trouwens toch tot de zwakke schakels van het boek gerekend worden. Wat te denken van een meisje ‘met geweld achter in haar keel’? Le Clézio laat niets over aan de verbeelding van de lezer. Bij alles wat er gebeurt krijgen we de bijbehorende emoties stevig voorgekauwd. Voor de aankomst op de laatste bladzijde hebben we veel eenzaamheid en verdriet moeten slikken. “Ze voelde ineens een soort onrust, een gevoel van droefheid en leegte.” Een paar regels verder staat dan “Zij kreeg een brok in haar keel.” Alsof dat allemaal al niet erg genoeg is, wordt er ook met behulp van potsierlijke metaforen aan effectbejag gedaan. “Ze voelde zich even zwaar en traag als het schip in het sargassowier.” Hier wordt gepoogd iets te vertellen over een menselijke ervaring door de gevoelswereld van een schip als rolmodel te hanteren. En wat verduidelijkt de volgende vergelijking: “Nassima had ervoor gekozen hierheen te gaan zoals je je naar een muur toekeert”?

    Op elke bladzij staan kreupele zinnen. Dit valt niet alleen op het conto van de schrijver te plaatsen. De vertaler is op haar minst medeplichtig. “In plaats van een hond liet meneer Brun een alarminstallatie en schijnwerpers plaatsen.” Veel zinnen kunnen zonder aanpassing op de achterpagina van het tijdschrift Onze Taal in de rubriek Ruggespraak een vermelding krijgen. “De auto parkeerde in het park, met de zwaailichten aan.” Je krijgt onmiddellijk heimwee naar de tijd dat bestuurders auto’s parkeerden.

    Een boek lezen met de aantrekkingskracht van de zee als onderwerp aan de Normandische kust wordt een fiasco als het boek kwalitatief onder de maat is. Zelfs een glaasje calvados kan het tij niet keren. In geen jaren heb ik zo’n draak van een boek in handen gehad. In volle zee is een affront voor de goede smaak, een literair Verdun. Voor de jury van de Nobelprijs, schrijver J.M.G. Le Clézio, vertaalster Maria Noordman, uitgeverij De Geus past een klassieke sanctie: op een strontkar door Staphorst. Thuis zet ik als tegenhanger ‘Meisje van zestien’ op, gezongen door Boudewijn de Groot. Als stormwind speelt met een enkel blad. Zestien lentes zo pril.