Leesimpressies

  • Joseph O’Neill: Netherland

  • Nr. 37 - 2009
  • In Baltimore, de stad waar Anne Tyler leeft en Edgar Allan Poe begraven ligt, lees ik een boek dat door een Ierse Amerikaan is geschreven en zich grotendeels in New York afspeelt. Dan is het een onverwacht genoegen om vertrouwde Haagse plekken tegen te komen. De schrijver Joseph O’Neill bracht zijn middelbare schooltijd in Nederland door. Daar zijn ze opeens: de Scheveningse vuurtoren, het kantoor van de toenmalige veiligheidsdienst aan de Kennedylaan en de Bosjes van Pex. Alleen dat kantoorgebouw ken ik van binnen. Een wisseling van functie bij de Rijksvoorlichtingsdienst maakte een screening nodig. Enkele vragen van de vriendelijke ambtenaar zijn me bijgebleven.

    Met wie had ik gesproken tijdens de verschillende reizen naar Oost-Europa? Voortaan bij elk gesprekje in café of taxi onmiddellijk naam en adres noteren, dacht ik. Heeft iemand mij wel eens verzocht om de interne telefoongids van het ministerie? Aha, zo proberen de Russen dus binnen te komen. Het gesprek vond plaats in een tijd dat een studie sociologie fungeerde als zorgelijk gespreksthema. Les: doe altijd een studie rechten erbij. Omdat ik al in de nieuwe functie benoemd was, liep alles met een sisser af.


    There’s a limit to what Americans understand. The limit is cricket


    Het boek van O’Neill nodigt uit tot mijmeren. Dat is wat hoofdpersoon Hans van den Broek voortdurend doet. De Haagse connectie komt op zijn conto. Hij is als Nederlander van Londen overgeplaatst naar New York waar hij werkzaam is in het bankwezen. Als het boek begint is hij met vrouw Rachel en hun zoontje terug in Londen. Dan belt een journalist van The New York Times om navraag te doen naar Chuck Ramkissoon die vermoord is aangetroffen in een kanaal. Dat bericht zet een golf aan herinneringen in werking naar de tijd die het gezin doorbracht in New York. De stad verkeert nog in de roes van de aanslagen van 11 september. Zekerheden zijn aangetast. Bij Hans van den Broek glijdt het leven als zand tussen de vingers door. Hij is zijn greep op de dingen kwijt. Hij raakt onthecht van zijn verleden, van zijn vrouw en van zichzelf. Tegen die achtergrond sluit hij vriendschap met Chuck Ramkissoon die uit Trinidad afkomstig is. De twee ontmoetten elkaar bij een cricketwedstrijd. Chuck is scheidsrechter, Hans speler. Chuck heeft als droom New York voor cricket te winnen. Hij wil daarvoor een groot stadion realiseren. De locatie is al gevonden. Hans raakt onder de indruk van Chuck. Dat is iemand die wel weet wat hij wil. In de auto van Chuck toeren de twee door New York. Tijdens de verschillende stops merkt Hans dat zijn vriend zich met illegale praktijken bezig houdt zonder dat die constatering echt tot hem doordringt. Hans is figurant in zijn eigen leven geworden. Zijn houvast in het leven is zoek wat nog verergerd wordt als zijn vrouw zonder hem naar Londen terugkeert. Hij staart naar de dingen. Zijn observaties en herinneringen dragen de roman. Die zijn vaak treffend beschreven. Er is weinig handeling. Het blijft schimmig hoe hij in deze deplorabele situatie is terechtgekomen en ook hoe hij daar weer uit zal klimmen. Er is meer sfeertekening dan verklaring. Als een personage meer slachtoffer dan actor is dan hoop je dat de auteur de betekenis aanbrengt die de betrokkene ontgaat. Het lijkt echter dat O’Neill zijn personage Van den Broek daar niet bovenuit kan tillen. Misschien bezitten de twee wel te veel overeenkomsten. Naast de Haagse jeugd van de twee leeftijdgenoten geldt dat beide wonen in het Chelsea hotel. Geen thuis maar gast in het eigen bestaan.

    Gelukkig bevat het boek mooie typeringen die het verhaal glans geven. Hans zegt bijvoorbeeld, I am from The Hague, where Dutch bourgeois snobbishness and Dutch cricket are, not unrelated, most concentrated. Zijn vrouw antwoordt op de vraag wat hij voor de kost doet met ergonomie als reactie op zijn frequent gebruik van het woordje ergo. Van vrouwen die midden op straat taxi’s aanhouden wordt gezegd dat zij reacquired their air of intelligent libidinousness. Om andere redenen beviel mij het zinnetje: “Then the Tappan Zee Bridge came clumsily out of the mist…”. Overigens is voor verzamelaars van romancitaten over de Tappan Zee het werk van Richard Ford een aanrader.

    De goed geschreven passages kunnen het fragmentarische en duistere karakter van het boek niet uitwissen. Mijn editie bevat als toegift een interview met O’Neill. Daarin geeft hij aan eens in de tien jaar een idee voor een roman te krijgen en dat hij aan dit boek zeven jaar gewerkt heeft. Dat getuigt van een grote intensiteit. Hier is niks afgeraffeld. Jammer dat het boek vol staat met suggesties maar niet tot een bewering komt. In Nederland heeft O’Neill met Netherland veel aandacht van de media gekregen. Hij was te gast in het programma Boeken van Wim Brands, bij Pauw en Witteman en nog onlangs verscheen er een paginagroot stuk in de Volkskrant. De meeste aandacht ging in die gesprekken steeds uit naar zijn Haagse herinneringen en naar de krampachtige manier waarop wij met allochtonen omgaan, een begrip dat hij verafschuwt. Daarmee bleef de ongrijpbaarheid van zijn roman onaangetast.