Leesimpressies

  • Paolo Cognetti: De acht bergen

  • Nr. 27 - 2019
  • Is het mogelijk om het over de schoonheid van de Alpen te hebben zonder het woord majestueus te gebruiken? Het is zeker dat je dan van goeden huize moet komen. Paolo Cognetti lijkt te slagen maar op bladzijde 44 gaat het mis en doet hij het toch. De aanblik van de bergtoppen is nu eenmaal overweldigend, overigens een kwalificatie die op het randje is.
    Als het verhaal begint is Pietro elf jaar. Aan het eind is hij rond de veertig. Hij is enig kind en woont met zijn ouders in Milaan. Vader is chemicus op een fabriek en gaat gebukt onder de frustraties op zijn werk. Moeder is toegerust met meer sociale talenten. Het gezin komt pas echt tot leven als het in de zomermaanden vertrekt naar de bergen. Daar zijn ze in het bezit ven een eenvoudig vakantiehuis. Vader vindt niks fijner dan een wandeling te midden van de natuur, liefst voorbij de boomgrens. De verhouding tussen vader en zoon is uiterst stroef. Tijdens een gezamenlijke wandeling is er iets van een gewapende vrede tussen de twee. Onder het lopen wordt er weinig gesproken. Stelt de zoon een vraag, dan volgt het antwoord in de vorm van een raadsel. Moeder is de verbindende schakel maar zij heeft zelf ook het nodige te stellen met de eigenzinnigheid van haar echtgenoot.

    Pietro ontmoet in de bergen Bruno een leeftijdgenoot die daar woont en koeien hoedt. Nadat de twee eerst om elkaar heen hebben gedraaid, zet de moeder Pietro aan tot het sluiten van vriendschap met Bruno. De jongens herkennen in elkaar een verwante ziel. Bruno is door zijn ouders verwaarloosd maar lijkt helemaal op zijn gemak in zijn eentje op de berg. Paulo Cognetti schetst het verloop van de vriendschap via sprongen door de tijd. Pietro komt en gaat maar Bruno blijft altijd op zijn post.
    De ongemakkelijkheid tussen vader en zoon zet Pietro aan om het ouderlijk huis te verlaten. Hij verhuist naar Turijn en gaat aan de filmacademie studeren. Hij verdient een karige boterham met het maken van korte documentaires. Hij is iemand die graag observeert en luistert. Op een dag krijgt hij het bericht dat zijn vader op 62-jarige leeftijd plotseling is overleden. Zijn vader heeft hem in de bergen een stukje grond nagelaten. Met hulp van Bruno knappen de twee jongens een bouwval op tot een bewoonbaar toevluchtsoord.
    Uiteindelijk maakt Pietro zijn vriend mede-eigenaar van het onderkomen. Het is de uitverkoren plek voor een glas grappa. Pietro treft in de nalatenschap kaarten aan waarop vader zijn wandelingen heeft gemarkeerd. Pietro komt zijn vader na diens dood dichter dan hij ooit bij leven is geweest. Hij staat meer open voor zijn levenslessen.

    Er waren maar een paar duidelijke regels waaraan ik me diende te houden: één, in een cadans komen en die voortdurend vasthouden; twee niet praten; drie, bij een tweesprong altijd kiezen voor de weg omhoog


    Paolo Cognetti weet overtuigend vorm te geven aan zowel de vriendschap als aan de familieverhoudingen. Een sentimentele toon ligt op de loer maar die weet hij te vermijden. Desondanks heb ik wat moeite met de romantische geest van Jean-Jacques Rousseau die door het boek waait. Terug naar de natuur heeft altijd iets van een vlucht in zich. Wie met mensen niet uit de voeten kan, zoekt troost bij de natuur. Het ideaal komt in de plaats van de werkelijkheid. Dat Pietro verschillende keren naar Nepal vertrekt zet dit element nog wat extra aan. Nergens is de armoede zou aangenaam als in het spirituele Kathmandu. Hij probeert zelfs Bruno over te halen om daar gezamenlijk een nieuwe toekomst op te bouwen. Dat is vooral actueel op het moment dat zijn vriend met lege handen is komen te staan. Zijn huwelijk, met een ex-vriendin van Pietro, is op de klippen gelopen en zijn onderneming als kazende bergboer is geëindigd in een faillissement. Uiteraard is Bruno niet los te weken uit zijn vertrouwde omgeving. Zijn keuze is definitief. De verwantschap met Pietro blijft intact ook al treffen de twee elkaar soms jaren niet. De acht bergen zijn een symbool van een geheel eigen belevingswereld.
    De meeste romans zijn stadsromans. Dat is de normale habitat voor personages. Het is de plek waar schrijvers gewoonlijk wonen en werken. Het kluizenaarschap is de uitzondering op de regel. Voor de afwisseling werken de Alpen als decor verfrissend. Het levert een jargon op dat de bladzijden van meer reguliere romans meestal niet weet te halen. Het gaat dan bijvoorbeeld om overlappende dakspannen van larikshout, over couloirs, over gemzenpaden, over houtkap, over kletterende bergbeken, over verraderlijke gletsjers of over gemzenpaden. Je voelt als lezer de meedogenloze desolaatheid van de natuur. Wat mij vooral van het boek zal bij blijven is de instructie van de vader aan de zoon. Kies bij een tweesprong altijd de weg omhoog. Een majestueus motto dat ook in de stad toepasbaar is.