Leesimpressies

  • Paul Cliteur: Moreel Esperanto

  • Nr. 31 - 2007
  • Paul Cliteur is een wetenschapper die niet terugdeinst om maatschappelijk beladen onderwerpen ter sprake te brengen. Zo mengt hij zich in het integratiedebat en bediscussieert de rol die de islam in Nederland vervult. Misschien is het juister om te zeggen dat hij wel een beetje terugdeinst sinds hij zijn rol als columnist bij het televisieprogramma Buitenhof opgaf na bedreigingen aan zijn adres. Gelukkig staan zijn boeken ter beschikking om kennis te nemen van zijn gedachtegoed. Een boek biedt bovendien meer ruimte om standpunten te onderbouwen dan een column. Enkele jaren terug verscheen van Cliteur Tegen de decadentie waarin hij zich inspande om door de tijdsgeest ontstane smetjes op de begrippen democratie en rechtsstaat weg te poetsen. Met zijn nieuwste boek Moreel Esperanto vertrekt hij vanuit een ethische gedachtewisseling om uit te komen bij een pleidooi voor een striktere scheiding tussen kerk en staat dan waaraan wij in Nederland gewoon zijn.


    De aanloop die Cliteur neemt is een lange. Scherpzinnig als hij is, anticipeert hij onderweg voortdurend op tegenwerpingen die opposanten bij zijn betoog kunnen maken. Bezwaren berusten op een misverstand of zijn weerlegbaar. Cliteur kan helder argumenteren en putten uit een grote eruditie. Men zal dus van goede huize moeten komen om zijn opvattingen te bestrijden. Zijn lijn van redeneren valt als volgt te comprimeren. Allereerst constateert Cliteur dat het gebruik van geweld tot en met moord aan toe soms, dus niet altijd, gerechtvaardigd wordt onder verwijzing naar religie. Men kan denken aan de Mohammeds A en B, Atta en Bouyeri. Vaak is de reactie van goedwillende gelovigen dat de verklaring niet in het geloof gezocht mag worden maar dat de daders een onjuiste interpretatie van het geloof hanteren. Het is een verkeerde generalisatie om wandaden aan het geloof toe te dichten. Daar denken de daders zelf echter anders over. Cliteur wijst op de inconsistentie dat bij kritiek op godsdienst de neiging tot generaliseren wordt aangevallen terwijl dat nooit het geval is als het geloof eervolle vermeldingen krijgt. Hoewel er voor terrorisme ongetwijfeld meer verklaringen denkbaar zijn dan alleen of zelfs in de eerste plaats religieuze, mag deze factor niet veronachtzaamd worden. Alternatieve verklaringen zijn bijvoorbeeld sociale deprivatie, opgaan in de virtuele werkelijkheid van internet of persoonlijke frustratie. De opvattingen dat je anders-denkenden of anders-gelovigen de hersens in mag slaan komt wel degelijk voor. Cliteur schrijft dit toe aan de goddelijke bevelstheorie. Daarin zijn religie en moraal aan elkaar gekoppeld. Aan het geloof zijn voorschriften te ontlenen over hoe te handelen. Dat zijn vaak hele mooie principes, naastenliefde of het laven van dorstigen, maar kunnen ook zaken betreffen die anderen leed bezorgen. Cliteur merkt keer op keer op dat hij niets tegen godsdienst heeft maar dat het hem erom te doen is om de relatie tussen godsdienst en moraal te doorbreken. Daarbij richt hij zijn pijlen evenzeer op jodendom en christendom als op islam. Hij staat uitgebreid stil bij de moord op Willem van Oranje en typeert die als een religieus geïnspireerde aanslag. Om uit de impasse te geraken beveelt Cliteur een zogenaamde autonome ethiek aan waarbij zowel het utilisme als de Kantiaanse filosofie als richtsnoer kunnen fungeren. Alternatieve bronnen voor de moraal hebben als invalshoek de positieve gevolgen van daden dan wel de positieve intenties die ten grondslag liggen aan het handelen.

    Nadat Cliteur de nadelen van de goddelijke bevelstheorie behandeld heeft en alternatieven onder de aandacht zijn gebracht, maakt hij de stap naar de moderne samenleving met haar multiculturele karakter. De vraag of je daar voor of tegen bent, beschouwt hij als irrelevant. De multiculturele samenleving, al spreekt Cliteur liever over de multireligieuze samenleving, is gewoonweg een realiteit. Kenmerkend daarvoor is dat mensen met verschillende religies,en zonder religie, een staatsverband met elkaar delen. Het heilige boek van de één is niet van kracht voor de ander. Hoe kunnen groepen dan vreedzaam met elkaar samen leven? Er zijn vier modellen om de relatie tussen godsdienst en staatsgezag vorm te geven. De staat kan zich volledig identificeren met een bepaalde godsdienst. Als alle ingezetenen dezelfde godsdienst delen ervaart niemand een probleem. Theoretisch is ook denkbaar dat de staat de godsdienst bestrijdt. Communistische dictaturen hebben op dit vlak wel pogingen gewaagd overigens zonder veel succes. Een derde optie is dat de staat in godsdienstig opzicht aan pluriformiteit doet en schippert naar beste kunnen tussen de beschikbare religies. Tenslotte is er de scheiding tussen kerk en staat waarbij de burgers godsdienstvrijheid bezitten maar de staat zich onthoudt van religie. Dit beginsel wordt aangeduid met de term laïcité. Frankrijk en de Verenigde Staten zijn hiervan voorbeelden zij het vooral in theorie want ook daar is de praktijk weerbarstig. Zo kent de USA nu een president die eerst God aanhaalt voor hij ergens zijn bommen aflevert. Cliteur is overtuigd voorstander van de laïcité ook vanuit de optiek van gelovigen. Het principe van de scheiding vormt immers ook voor hen een garantie om de godsdienst van eigen voorkeur te kunnen belijden.

    Cliteur werpt een karrenvracht aan overwegingen in de strijd voor zijn opvatting over de neutraliteit van de staat. Daarmee is bedoeld dat de staat op geen enkele wijze de ene godsdienst voortrekt boven de andere stelt of gelovigen stelt boven niet-gelovigen. Is de bewijsvoering ook sluitend? Mij komt het standpunt van Cliteur als redelijk en overtuigend voor maar dat is nog iets anders dan sluitend. Er zijn wel enkele kwetsbare plekken aan te duiden. De nadelen van de goddelijke bevelstheorie zijn evident, zeker voor mensen met een andere levensbeschouwing. Is echter de alternatieve moraal van Cliteur echter eenduidig uitgekristalliseerd en geaccepteerd door de verschillende groeperingen in de samenleving? Moet dan niet opnieuw de ene groepering onder het juk van de ander door?

    Bovendien is de vraag gewettigd hoe redelijk het is om van gelovigen te vragen de lijn tussen godsdienst en moraal door te snijden. Godsdienst behoort voor gelovigen tot de meest wezenlijke zaken van het leven. Godsdienst geeft houvast voor de inrichting van hun leven. Dus voor moraal. Wat is de noodzaak om de goddelijke bevelstheorie op te geven mits en voor zover bepaalde grenzen in acht genomen worden? Biedt ons Wetboek van Strafrecht niet voldoende verankering aan een autonome ethiek? Waar is de wettelijke basis te vinden om het geloof als rechtvaardiging voor geweldsmisdrijven op te voeren?

    Dan is er nog een pragmatisch probleem. Wie gaat aan terroristen uitleggen dat er principieel zwaarwegende bezwaren kleven aan de goddelijke bevelstheorie? Is met Cliteurs boek, hoe lezenswaardig ook, de samenleving vreedzamer geworden? Moreel Esperanto, als taal van de redelijkheid, zal geen ijzer met handen breken.