Leesimpressies

  • Paul Frissen: De staat van verschil

  • Nr. 39 - 2007
  • Paul Frissen is een bestuurskundige die ook buiten de kring van zijn vakgenoten de gemoederen weet te prikkelen. Het interessante aan zijn opvattingen is dat hij niet verkondigt wat iedereen al roept. Frissen is een eigenzinnig denker wat behalve uit de inhoud van zijn boeken soms ook in de vormgeving uitdrukking krijgt. Daar komt bij dat hij in de presentatie van zijn opvattingen een zekere parmantigheid niet schuwt. Of is het onder bestuurskundigen gewoonte om in een voetnoot te vermelden met welk merk vulpen het manuscript geschreven is? De fascinatie van Frissen ligt bij de betekenis van de staat. In eerder werk heeft hij de staat laten versplinteren, gevirtualiseerd en leeg gemaakt. Dit keer neemt hij de gelijkheid op de korrel. Veel overheidsinterventies, die zich onder de noemer verzorgingsstaat aandienen, zijn pogingen om gelijkheid te realiseren in wat uit aanleg verschillend is. De vraag dringt zich op of dat bezwaarlijk is?


    Frissen neemt in bovengenoemde kwestie duidelijk stelling. Omdat de werkelijkheid zo veelvormig is, zullen de regels die gelijkheid beogen altijd te kort schieten. De regels lopen achter de feiten aan. Het gevolg is dat de regels steeds fijnmaziger worden en controlemechanismen vereisen die erop toe zien dat de werkelijkheid zich voegt naar de wensen van de beleidsmaker. Kortom, de bureaucratie roept voortdurend meer bureaucratie op. Het opeenstapelen van controle op controle leidt er toe dat de professional onder het juk van de manager door moet. Dat verklaart de impasse waarvan sectoren als de zorg en het onderwijs dagelijks melding maken. Daarmee is in de ogen van Frissen het probleem nog niet in volle omvang geschetst. De nadruk op rechtsgelijkheid vereist een ingrijpen bij alles wat afwijkt van de norm. Wat zich aan de bovenkant bevindt moet omlaag, de onderkant omhoog. De motieven, die in het geding zijn, krijgen een negatieve lading. Het aanpakken van de bovenkant noemt hij nivellering en schrijft hij toe aan ressentiment. Het omhoog brengen van de onderkant kwalificeert hij als paternalisme. Daarin valt een drievoudige pedanterie te onderkennen: “het paternalisme kent het goede, weet het beter en is moreel superieur”.

    De kritische opvattingen van Frissen bezitten overtuigingskracht. Dat maakt nieuwsgierig te vernemen wat de staat wel zou moeten doen. De dominante gedachte in het publieke domein dat het bestaansrecht van de staat ligt in het oplossen van maatschappelijke problemen is Frissen een gruwel. Van die functionele rationaliteit wil hij af. Kerntaak voor de staat zou moeten zijn het beschermen van minderheden. Daarbij is het door Isaiah Berlin uitgewerkte onderscheid tussen negatieve en positieve vrijheid behulpzaam. Bij negatieve vrijheid gaat het om “vrij van” bijvoorbeeld van staatsinvloed zoals bij de klassieke grondrechten het geval is. Het is de taak van de staat om te waarborgen dat ze iets niet doet. Bij positieve vrijheid betreft het “vrij om” bijvoorbeeld om naar eigen keuze invulling te geven aan je leven. Frissen ziet voor de staat geen rol om invulling te geven aan positieve vrijheid. Dat is het domein van vrije burgers. De staat behoort geen opvatting te hebben over hoe het goede leven eruit zou moeten zien. Frissen laat zich niet uit over politieke partijen. Zij hebben allemaal opvattingen over het goede leven of tenminste over de goede samenleving. Is dat in de visie van Frissen eveneens ongeoorloofd of mogen politieke partijen wel die opvattingen hebben maar dienen zij daar afstand van te nemen op het moment dat zij tot de macht geroepen worden?

    Een overweging ter ondersteuning van de visie van Frissen is het breed onderschreven uitgangspunt over de scheiding tussen kerk en staat. Paul Cliteur (zie weblog week 31, 2007) en Richard Dawkins zijn gedreven woordvoerders van dit beginsel. In een pluriforme samenleving met gelovigen van verschillende signatuur dient de staat geen stelling te nemen. De staat is neutraal en staat boven de partijen waardoor de vrijheid voor iedereen gewaarborgd blijft. De legitimatie voor onthouding door de staat is gelegen in de machtsconcentratie bij de staat zoals neergelegd in het monopolie op geweld en belastingheffing. Het geloof, zonder in theologische nuances te verdwalen, bevat in ieder geval uitspraken over de moraal en dus over het goede leven. Als we vinden dat de staat buiten het geloof moet blijven waarom vinden we dan ook niet, net als Frissen, dat de staat consequent buiten alle opvattingen over het goede leven zou moeten blijven. Waarom het één wel en het ander niet? Is er een rechtvaardiging te vinden om het geloof anders te beschouwen dan andere samenhangende uitspraken over de moraal? Misschien is er een argument te vinden in het absolutistische karakter van het geloof. Gelovigen hebben de neiging om hun waarheden ook van toepassing te verklaren op ongelovigen. Christelijke politieke partijen willen ook niet-gelovigen verbieden abortus te plegen. God schiep voor iedereen de wereld in zes dagen, voor iedereen is er een leven na de dood al moeten de ongelovigen zich wel bij een ander zaaltje inschrijven. Mij lijkt het gewenst het beginsel van staatsonthouding vooral aan te houden voor die varianten van de moraal die de pretentie bezitten van toepassing te zijn op het persoonlijk leven van andersdenkenden.

    Het deel van het boek waarin Frissen de gelijkheid kritiseert heeft op mij meer indruk gemaakt dan het deel waarin hij zijn oplossing behandelt. Dat is een lofzang op het verschil, op het schone boven het ware of het goede. Het blijft na lezing moeilijk een voorstelling te maken van de praktische betekenis. Hoe ziet een regeerakkoord eruit in de visie van Frissen? Hebben we dan nog een regering? Frissen zal dit wel vragen vinden die getuigen van een hopeloze dosis functionele rationaliteit. Voor mij zijn bestuurskundige opvattingen toch vooral de moeite waard als je die kunt doordenken op hun betekenis voor de werkelijkheid. Gabriël van den Brink, die met Moderniteit als opgave eveneens onlangs een nieuw boek lanceerde, plaatst in zijn slothoofdstuk enkele kanttekeningen bij het postmodernisme waartoe Frissen gerekend mag worden. Van den Brink benadrukt dat postmodernisten veel beweren maar weinig onderzoek doen. Empirisch materiaal kan zowel inspiratiebron als toetssteen zijn. Laat feiten de visies meubileren. Dat sluit aan bij mijn indruk dat het postmodernisme makkelijk kan uitmonden in een ongrijpbare vorm van verbale bellen blazerij.