Leesimpressies

  • Thomas Bernhard: Mijn prijzen

  • Nr. 36 - 2009
  • Het is allemaal bedoeld om de waarde van literatuur te benadrukken waardoor schrijvers af en toe in het zonnetje van de prijzen gezet worden. Erkenning voor al het geploeter op zolderkamers. Vaak eindigt het in een plensbui. De kneedbaarheid van veel schrijvers laat te wensen over. Leren de meeste mensen in een gewone baan passen en meten op straffe van uitsluiting, de schrijver leeft naar een eigen code. Gemakkelijk raakt een auteur bekneld in het maatschappelijk decorum van een prijsuitreiking. Gelukkig beschikken schrijvers over de pen om verslag te doen van hun ongenoegen. De lezer raakt op de hoogte wat een verschrikking het is om met die fluim van een X op dezelfde shortlist te staan en in dezelfde ruimte als Y de ontknoping van het juryrapport te moeten aanhoren. Mij is altijd het gezicht van Jan Wolkers bijgebleven die off the record een blik om instemming naar de cameraploeg werpt of zijn uitbarsting van woede voldoende karaat bevatte. Dat was zeker het geval. Wolkers laat zich niet schofferen door een prijsje. Hè!

    Thomas Bernhard stond ook niet bekend om zijn plooibaarheid. Twintig jaar na zijn dood verscheen voor het eerst een bundeling met zijn wederwaardigheden over het prijzencircus. Het is een hilarisch verslag geworden. Bernhard heeft zich zelf ooit een overdrijvingskunstenaar genoemd. Hij pendelde graag mystificerend tussen ernst en scherts. Zijn broze gezondheid belette hem niet op gespannen voet met zijn land, Oostenrijk, te staan. Zelfhaat was hem evenmin vreemd. Met treiterende herhalingen geeft hij zijn indrukken. Tot vervelens toe repeteert hij de naam van de afzender zoals de Kunstkring van de Algemene Duitse Werkgeversvereniging. Wat er bij een prijsuitreiking mis kan gaan, ging mis. Veelal vergezeld van zijn tante bezoekt hij de plechtigheden. Bij de uitreiking van de Grillparzer-prijs blijft Bernhard bedremmeld bij de ingang van de feestzaal staan. In het draaiboek is geen ontvangst voorzien. Hij wordt niet herkend. Dat komt misschien wel door het nette pak dat hij net tevoren heeft aangeschaft bij een welbekende herenmodezaak op de Kohlmarkt. Bij nader inzien ervaart hij het pak als een maat te klein. Na afloop van de prijsuitreiking brengt hij het terug naar de winkel.


    De prijs voor het beste prijzenboek gaat naar Thomas Bernhard; de enkelvoudige jury zal het prijzengeld besteden aan de aanschaf van enkele werken van de winnaar


    Tijdens een plechtigheid in Regensburg wordt naast Bernhard de dichteres Elisabeth Borchers onderscheiden. De hoogwaardigheidsbekleder van dienst nodigt per briefje mevrouw Bernhard en de heer Borchers uit om op het podium te verschijnen. Met satanisch genoegen beschrijft Bernhard alle voorvallen. Een terugkerend element is zijn geworstel bij het bedenken van een dankwoord. Bij de literatuurprijs van de stad Bremen schiet hem op zijn hotelkamer een halfuur voor de festiviteit de volgende zin te binnen: “Met de kou neemt de helderheid toe.” Daaromheen ontstaat binnen enkele minuten een toespraak. De redevoeringen zijn opgenomen achterin het boek. In Bremen is inderdaad sprake van het thema kou en helderheid. Er valt overigens nauwelijks een touw aan vast te knopen aan die toespraken. Wel slaagt Bernhard erin om met een betoog de minister van Cultuur en Kunst en Onderwijs op de kast te krijgen. Deze uit Stiermarken afkomstige Ronald Plasterk droeg de welluidende naam Piffl-Perčević en hij had in zijn toespraak Bernhard beschouwd als een buitenlander.

    Het is verleidelijk om Mijn prijzen te vergelijken met Sisyphus’ bakens van Jeroen Brouwers wat ongeveer tegelijkertijd verscheen. Brouwers kwam in het nieuws doordat hij het bedrag dat behoorde bij de Prijs der Nederlandse Letteren van de Taalunie als te karig kenschetste. Uiteindelijk zal hij na enkele onverkwikkelijke contacten met de Taalunie de prijs weigeren. Brouwers gaat te keer in de stijl van Mandarijnen op zwavelzuur wat voor schrijvers boven een bepaalde leeftijd de polemische maatstaf der dingen is. Het is van dik hout zaagt men planken en de man wordt meer geraakt dan de bal. Mikpunten van spot zijn de literatuurvijandige koningshuizen van de lage landen en minister Ronald Plasterk. Zijn hoedje ligt weer eens in de vuurlinie. Nu is Plasterk misschien wel de meest tegenvallende minister ooit maar op zijn standpunt valt in mijn ogen weinig af te dingen. Brouwers suggereert dat een hoog bedrag zeer welkom is gelet op zijn leefomstandigheden. Het oordeel van Plasterk benadrukt dat een prijs eerbetoon is en geen inkomensvoorziening. Zou dat anders zijn dan dient een jury voortaan de banksaldi van schrijvers te wegen en niet hun boeken. Het tussentijds verhogen van het prijzengeld stuit op onoverkomelijke bezwaren van de reglementen. De ministers van beide regeringen vergaderen over een oplossing. Mooi is te zien hoe de vooroordelen over bestuursstijlen door de werkelijkheid worden ingehaald. De ongelovige ex-katholiek Ronald Plasterk houdt met calvinistische stijfkoppigheid vast aan het ingenomen standpunt. Bert Anciaux, die vaker van partij wisselt dan menigeen van ondergoed, schiet direct in de kramp van het cliëntelisme. Hij belt Brouwers, tegen de afspraak met Plasterk in, met als boodschap dat zijn inspanningen om het bedrag te verhogen zijn stukgelopen op een Nederlands veto.

    Hoewel Brouwers in staat is tot fonkelende formuleringen gaat de permanente hoge toon op een gegeven moment irriteren. Verwende kinderen willen altijd meer snoepgoed. Het betoog mist relativering. Er zijn heel wat ergere misstanden in de wereld dan het prijzengeld van de Taalunie. Daarom zijn de hilarische beschrijvingen van Bernhard indrukwekkender en uiteindelijk ook venijniger.