Leesimpressies

  • Tommy Wieringa: Ik was nooit in Isfahaan

  • Nr. 9 - 2006
  • In de zomermaanden zijn de boekwinkels rijk gesorteerd aan reisliteratuur. Na zijn vitale roman Joe speedboat viel me op dat Tommy Wieringa zich ook op dit pad begeven had. Nederlands meest vermaarde schrijver van reisboeken Cees Nooteboom lanceerde ooit Een avond in Isfahan. Wieringa had niet alleen een andere schrijfwijze maar ook een andere bestemming voor ogen. Ik wilde weten waar zijn Ik was nooit in Isfahaan naar toe voerde.

    Wieringa is niet kieskeurig in het vinden van bestemmingen. Voor de duur van zo’n 200 bladzijden komen we in bijna alle continenten terecht. Het openingsverhaal “Feest” laat meteen een gruwelijke kant van reizen zien. Gedetailleerd krijgen we de slachtpartij van het varken beschreven dat aan het feest voorafgaat. Tijdens het feest zelf richt een onvoorziene orkaan een ravage aan. Door een rondwaaiende golfplaat raakt één van de organisatoren onthoofd. De stemming is gezet.

    Het volgende verhaal vertelt van een oom die is omgekomen bij een brand in een Thais jongensbordeel. Op verzoek van de overledene wordt zijn as uitgestrooid in het Duitse waddengebied. Als het moment daar is, blijft de as in de urn vast zitten. Met behulp van lepels verhuist de deegachtige substantie vanuit de urn naar de zee. Het is tijd voor de vraag of ik dit boek verder wil lezen. Bij mij thuis geldt echter de regel, van origine ingesteld ter bevordering van de zelfdiscipline, om elk boek tenminste voor de helft te lezen. Ik zet door en haal zonder doping de slotpagina.

    Wieringa heeft zijn boek in drie rubrieken onderverdeeld: verhalen, verslagen en ansichten. De verhalen en verslagen komen qua lengte overeen met gemiddeld ongeveer zeven bladzijden per stuk. Het verschil lijkt te bestaan uit de identiteit van de verteller. In de verslagen is Wieringa zelf aan het woord maar in de verhalen blijft onduidelijk wie de verteller is. De afwezigheid van een dergelijk herkenningspunt bemoeilijkt de identificatie met het vertelde. Het grootste deel van het boek is ingeruimd voor een kleine 50 ansichten. Voor de goede orde, het gaat om de keerzijde van ansichten. Beelden bevat het boek niet. De boodschap bestaat uit tekst. Het gaat om korte stukjes die een impressie geven van wat Wieringa elders aantreft. Ook bij de ansichten is Wieringa zelf de afzender. Wat het onderscheid tussen de rubrieken verslagen en ansichten rechtvaardigt wordt, afgezien van de lengte en een tijdsaanduiding, niet helder. Een onderwerp kan in beide rubrieken opduiken. In het verslag getiteld “Uit de cockpit klinkt gezang” maken we kennis met een piloot waarmee Wieringa van Tsjechië naar Nederland vliegt, terwijl we in de ansicht “Ten bordele” uit Tsjechië vernemen dat deze zelfde piloot met een vliegtuig dodelijk is verongelukt. Een onderbouwing voor de samenstelling van de bundel ontbreekt. Wieringa geeft in zijn woord vooraf op dit punt geen toelichting. Wel zegt hij daar wat over zijn motief tot reizen. Hij spreekt over de roes van Wanderlust en de wens tot onvindbaarheid.

    Bij schrijvers van reisliteratuur vind je twee soorten aanleidingen. Je kunt gaan reizen omdat je weg wilt waar je bent maar ook omdat je elders wilt zijn. Bij de één prevaleert weg van hier en bij de ander het verlangen naar daar. De eerste schrijft reisliteratuur bij toeval en misschien wel per abuis. Het hoofdmotief is immers ontsnappen aan het hier en nu: het gezin dat knelt, de religie die niet op smaak is, werk dat niet uitdaagt of tuintjes die te aangeharkt zijn. Achter de horizon is het gras vast groener. Voor de andere schrijver is reizen geen alibi maar doel in zichzelf. Hij geeft gehoor aan een dwingende lokroep. Wieringa behoort tot de eerste categorie. De drijfveer weg van hier vergezelt hem ook elders. Hij verzamelt in hoog tempo indrukken en gaat dan weer snel door. Mensen die zijn pad kruisen zijn veelal niet meer dan object voor een stukje. We krijgen als lezer meer beschrijving dan bespiegeling voorgeschoteld. Bespiegeling kan voor de lezer inzicht brengen maar ook een geweldige hindernis vormen vooral als we weinig ophebben met de gedachtewereld van de betreffende auteur. Dan is iemand helemaal aan het andere eind van de wereld gearriveerd en worden we uitsluitend getrakteerd op de zieleroerselen van de toevallige passant. Een goed reisboek is gebaat bij evenwicht tussen beschrijving en bezinning. Reflectie is er soms in de vorm van een citaat van een schrijver die Wieringa ter plekke voor was.

    Het voordeel van zijn aanpak is wel dat we in korte tijd van veel getuige zijn. Wieringa verstaat de kunst om vaardig te verwoorden wat hij aantreft. Omdat hij zoveel plekken bezocht, is het verleidelijk om te kijken wat hij meldt over een actuele brandhaard in de wereld. Dagelijks zien we op het ogenblik beelden van gewelddadigheden in Israël en Libanon. Wieringa ontleende aan Libanon twee ansichten. De lezer maakt kennis met de punctuele nachtportier van een hotel in Beiroet. Tijdens de vorige oorlogsperiode plaatste hij een aspirant bezoeker voor de keus: een kamer aan de bomkant of aan de sluipschutterskant.

    In Ik was nooit in Isfahaan trekt de wereld als in een versnelde film aan je voorbij. Wie dat zoekt, is aan het juiste adres. Thuis kun je altijd nog uithijgen.