Leesimpressies

  • Tony Judt: Het land is moe

  • Nr. 32 - 2010
  • Omdat het lezen van Alain de Botton, zie weblog 30, te weinig inzicht in nut en noodzaak van de arbeid opleverde, besloot ik een andere bron te raadplegen. Zo kwam ik terecht bij De ambachtsman van de Amerikaanse socioloog Richard Sennett. Hij betoogt dat betrokkenheid en de zorg om kwaliteit als doel in zichzelf kenmerkend zijn voor de ware vakman. Al snel ontstond de indruk een pompeus boek te lezen. Aanbeland bij de passage over zijn favoriete suhsirestaurant in New York waar Sennett altijd op bezoek ging met de Japanse vriend die zorgde voor het onderhoud van zijn cello, werd me duidelijk dat ik dat boek niet zou uitlezen. Het overlijdensbericht van Tony Judt, slachtoffer van de vreselijke ziekte ASL ofwel de ziekte van Lou Gehrig, gaf me de aanzet om eindelijk een werk van hem te lezen. Judt wekt meer sympathie dan Sennett. Het was tot nu toe bij voornemens gebleven om zijn veelgeprezen dikke pil over de naoorlogse Europese geschiedenis te lezen. Dit jaar verscheen Het land is moe dat hij ondanks zijn ziekte tot een afronding wist te brengen. Meer gedicteerd dan geschreven. De titel klinkt veelbelovend. Ook het origineel heeft een mooie klank: Ill fares the land.

    De kracht van Judt ligt in zijn helikopterview. Met speels gemak legt hij verbanden tussen ontwikkelingen die verschillen naar tijd en plaats. Het accent ligt echter wel op de recente geschiedenis van de westerse wereld. Ergernis vormt zeker een voedingsbodem. Op de eerste bladzij doet hij de verzuchting dat we dertig jaar lang de jacht op materieel eigenbelang als een deugd hebben beschouwd. Er is ook verbazing. Hoe is het mogelijk dat sinds het uitbreken van de kredietcrisis, symbool van falend neoliberalisme, sindsdien bij verkiezingen in Europa de sociaaldemocratische partijen voortdurend nederlagen oogsten? Nederland volgt dat patroon nu de VVD, de meest toegewijde supporter van het neoliberalisme, hier de grootste partij is. Wassenaar is overal.


    We weten wat dingen kosten maar we hebben geen idee wat ze waard zijn


    Judt probeert een verklaring te schetsen voor de afnemende aantrekkingskracht van de sociaaldemocratie en doet voorzichtig suggesties voor een revitalisering. Voor Judt is de ineenstorting van het communisme, met de val van de muur als symbool, een belangrijke verklaring voor de verlegenheid van links. Noem in de USA een voorstel socialistisch en het is direct kansloos. Een elementaire ziektekostenverzekering voor miljoenen mensen die in het rijkste land van de wereld aan hun lot overgelaten worden, stuit op zwaar ideologisch verzet. Beweer dat het helpen oversteken van een blind oud vrouwtje een uiting van socialisme is en ze blijft reddeloos alleen op het trottoir achter.

    Judt wijst er allereerst op dat het misplaatst is om de sociaaldemocratie de misstanden van communistische dictaturen aan te rekenen. De sociaaldemocratie heeft altijd de keus gemaakt om het streven naar gelijkheid te laten plaatsvinden in een democratisch bestel met een overwegend kapitalistisch economisch systeem. Het kapitalisme gedijt bij vrijheid en biedt perspectief op het genereren van welvaart voor velen. Een ongebreideld kapitalisme draagt echter de kiem van onvrijheid in zich. Het recht van de sterkste zal zegevieren. Met behulp van vele statistieken laat Judt zien dat de ongelijkheid in de westerse wereld de afgelopen decennia sterk is toegenomen. In het voetspoor van Thatcher en Reagan is een cultuur van zelfverrijking ontstaan met verwaarlozing van het algemeen belang. De markt kon alles beter dan de overheid. Privatiseren was het tovermiddel. Tot het doorgeslagen materialisme gered moest worden door de belastingbetaler. Te veel ongelijkheid bedreigt de stabiliteit voor allen, uiteindelijk ook voor de rijken.

    Judt bepleit een herijking. De solidariteit tussen mensen blijkt makkelijker op te brengen binnen een gemeenschap die niet te groot en te heterogeen is. Het algemeen welzijn moet onder het gruis vandaan. Het terugdringen van ongelijkheid heeft voor Judt prioriteit. Politiek verdient in het centrum van de belangstelling te staan. “En als we openbaar niet langer hoger aanslaan dan particulier, wordt het na verloop van tijd ook moeilijk om in te zien dat we de wet (het openbare bezit bij uitstek) hoger moeten aanslaan dan geweld.” We moeten China niet alleen beoordelen als een lagelonenland maar net zo goed als een lagerechtenland. Judt wijst op de paradox dat het in een neoliberale visie taboe is om een progressief belastingstelsel te hebben en publieke zeggenschap te hebben over nutsvoorzieningen maar het niet als een te zware last geldt om overal cameratoezicht te installeren, telefoongesprekken af te luisteren en buitenlandse oorlogen aan te gaan.

    Het betoog van Judt is een warm pleidooi voor meer gemeenschapszin en minder materialisme. Hoewel hij veel gelijk aan zijn kant heeft, is het allerminst zeker dat hij dat ook krijgt. Het is in ieder geval een groot gemis dat hij voortaan zijn bijdrage aan het publieke debat niet meer kan leveren. Zijn werk is een lange echo gegund.