Leesimpressies

  • Trudy Dehue: De depressie-epidemie

  • Nr. 32 - 2009
  • Bij de publieke omroep is inhoud suspect. Iets voor de randen van het zendschema. Meningen zijn erg gewild. Daarom verschijnen Jort Kelder, Jan Mulder en Prem Radhakishun iedere avond in wisselende volgorde op de televisie. Denkers als Trudy Dehue vallen gewoonlijk buiten de boot al is er één keer per jaar plek in Zomergasten voor iemand uit het reservaat van de wetenschap. Dit jaar viel de keus op Trudy Dehue. Het werd een moeizame vertoning. De interviewende journalist beschikte niet over de bagage om adequaat tegenspel te bieden. Wat gebeurt er als iemand die nooit van Karl Popper heeft gehoord drie uur lang een gesprek voert met een wetenschapsfilosoof? Dat is net zoiets als een parlementair journalist die niet weet wie Jan-Peter Balkenende is of een sportjournalist die opmerkt: Johan Cruyff, nooit van gehoord. Dat leidt tot een gesprek dat in een kringetje rond blijft draaien. Halverwege ging de televisie uit en nam ik me voor De depressie-epidemie te lezen.

    Aanleiding voor het boek van Dehue is de verwondering over een paradox. Hoe kan het dat in onze samenleving, die welvarender, vrijer en veiliger is dan ooit het aantal mensen dat antidepressiva gebruikt zo sterk stijgt, zelfs tot boven de miljoen? De omstandigheden duiden op voorspoed, het gedrag van deze mensen niet. Er zijn drie soorten verklaringen in omloop voor de toename van medicatie en zelfmedicatie ter bestrijding van depressie. Ten eerste is de redenering dat depressie er altijd al was maar de omstandigheden en de geneesmiddelen ontbraken om er wat aan te doen. Ten tweede is er de farmaceutische industrie die mensen problemen aanpraat om vervolgens geld te verdienen aan de oplossing die zij in de aanbieding heeft. Ten derde is er de verzorgingsstaat die de weerbaarheid van mensen heeft ondergraven zodat zij afhankelijk zijn geworden van hulpverleners. Een deskundige voor elk geestelijk schrammetje.


    De maakbaarheid van de samenleving is ingeruild voor het concept van het maakbare individu


    Dehue loopt de drie verklaringen stuk voor stuk langs en concludeert dat zij als verklaring niet afdoende zijn. Het gemeenschappelijk element in de verklaringen is dat zij impliciet stoelen op een zelfde veronderstelling. Depressie als zodanig is niet toegenomen maar de aandacht voor depressie laat een stijging zien. Cruciaal in het betoog van Dehue is haar stelling dat depressie als zodanig een ongrijpbaar begrip vormt. De betekenis van depressie is afhankelijk van de maatschappelijke context. De geschiedenis laat glijdende invullingen van het begrip zien. Eerst vormde een depressie vooral een inadequate reactie op negatieve ervaringen als dood, echtscheiding of ontslag. Vanaf de jaren tachtig van de vorige eeuw overheerst het entiteitsmodel van depressie wat wil zeggen dat depressie als verschijnsel op eigen benen staat en het af kan zonder aanleiding.

    Tot het indrukwekkendste deel van het boek behoort de beschouwing over de betrouwbaarheid van medicijnen. Dehue laat overtuigend zien dat de methodologische waarborgen als testen op basis van dubbel blind niet alleen worden overtreden maar ook intrinsieke beperkingen kennen. Het gevaar van bijverschijnselen, tot en met zelfmoord aan toe, blijft onderbelicht. Wat leeft per saldo meer op: wel of geen medicijngebruik? Een dergelijke discussie komt uiteindelijk terecht bij de vraag wat een ziekte eigenlijk is. Het boek beschouwt iets als ziekte zodra aan twee voorwaarden is voldaan. Het aardige daarvan is dat de definitie een maatschappelijke afspraak bevat waar geen bacil aan te pas komt. Er is sprake van ziekte als het gaat om maatschappelijk onaanvaardbaar gedrag, niet noodzakelijkerwijs in de ogen van betrokkene zelf, en als voor de oplossing richting geneeskunde wordt gekeken en dus bijvoorbeeld niet naar de kerk of de politie.

    De opvatting, die de schuld in de schoenen van de verzorgingsstaat schuift, bekritiseert Dehue eveneens. Haar stelling is dat depressiebestrijding geen beroep doet op passiviteit maar juist de eigen mogelijkheden van mensen wil mobiliseren. Was in het verleden innerlijke rust het mikpunt van depressiebestrijding nu is dat vooral ondernemingslust en zelfverzekerdheid. Dehue verschilt van mening met psychiater Dalrymple die depressie vooral ziet als een uiting van een te kort schietende eigen verantwoordelijkheid. Volgens mij is dit een schijntegenstelling. Dalrymple heeft het vooral over de laagste maatschappelijke klassen waar de ene generatie met bijstand de volgende baart. De consumenten van antidepressiva bevinden zich vermoedelijk in de middenklasse en daarboven. De maakbaarheid van het individu is het vigerende mensbeeld. Zowel het innerlijk als het uiterlijk is boetseerbaar. Sterker nog, wacht niet op het aantreden van een probleem maar kom preventief in actie. Mannen die vader willen worden doen er verstandig aan de testikels koel te houden en weinig te fietsen. Dehue legt de verantwoordelijkheid voor de depressie-epidemie voor een groot deel bij de maatschappelijke structuren. Zij bepleit maatregelen tegen het verbond van neo-liberale politiek met het farmaceutisch-wetenschappelijk complex. Bovendien stelt zij de vanzelfsprekendheid ter discussie om gepieker met antidepressiva te bestrijden. Wat is er mis met bedachtzaamheid? Uiteindelijk is er niet één zondebok. Het betreft een ingewikkeld samenspel van factoren. De werkelijkheid is vol nuance. Dat Jort, Jan en Prem zullen ontploffen bij zo veel evenwichtigheid moeten we voor lief nemen. Overigens heb ik recent mijn racefiets van de hand gedaan.