Leesimpressies

  • Vladimir Nabokov: Pnin

  • Nr. 7 - 2016
  • Lezend over literatuur is het onvermijdelijk dat je soms iemand treft die met bewondering spreekt over Nabokov. De laatste keer dat mij dit overkwam was bij Sylvia Witteman. Lang is mijn opvatting over Nabokov overschaduwd door het beeld van een snobistische man die zich in een ivoren toren had teruggetrokken in de vorm van een Zwitsers hotel. De typering van Maarten ’t Hart, Nabokov is een kroonluchter die niet kan branden, hield ik dicht in de buurt. Dat hij graag op vlinderjacht ging, wil ik wel door de vingers zien maar moest dat per se in korte broek en met een mal hoedje? Sinds mijn bezoek aan zijn woning in Petersburg, nu is de benedenverdieping als museum in gebruik, is mijn beeld gaan kantelen met een definitieve doorbraak toen ik in zijn prachtige autobiografie herkende dat ik een onschuldige afwijking met hem deel: synesthesie, de eigenschap dat waarnemingen van verschillende zintuigen vermengd raken. Bij hem zijn de letters van het alfabet gekoppeld aan vaste kleuren, bij mij gaat het om de dagen van de week. Binnen de basisverzekering is daar niks aan te doen. Jaren geleden legde ik Pnin vanwege de potsierlijke persoonsbeschrijving op de eerste pagina ter zijde. Op voorspraak van Sylvia Witteman was het tijd voor een herkansing.

    Timofej Pnin is een Russische emigrant die via omzwervingen in Europa een soort thuis heeft gevonden in Amerika. Timofej Pnin heeft veel weg van een gepniniseerde Vladimir Nabokov. Hij doceert aan een universiteit aan de oostkust. Bij het begin van de roman treffen we hem aan op weg om een lezing te verzorgen. Typisch Pnin, hij zit in de verkeerde trein. Daarna volgen een heleboel vermakelijke inkijkjes in het bestaan van de hoofdpersoon. De roman eindigt als Pnin op het punt staat aan zijn lezing te beginnen. Typisch Pnin, hij heeft de verkeerde lezing bij zich gestoken.
    Pnin is zeer gesteld op zijn rust maar die wordt hem weinig gegund. Als kamerbewoner wordt hij meegesleurd in het bestaan van zijn medebewoners en aan de universiteit wemelt het ook al van de bemoeials. Je hebt er bijvoorbeeld Leonard Blorenge, hoofd van Franse Taal en Letteren, die zich onderscheidt door twee interessante kenmerken: ‘hij hield niet van literatuur en sprak geen Frans’. Wel vist hij graag met de rector magnificus aan een meertje ‘in zo’n akelig landschap met kreupelhout- lage eikjes en dwergdennen- dat in de natuur het equivalent is van een achterbuurt’. De verbale virtuositeit van Nabokov nodigt uit tot veel citeren. De hang naar rust, het liefst wil hij een eigen huisje aan de buitenkant van de stad met binnen oude boeken en buiten late bloemen, biedt hem de gelegenheid om te mijmeren over het verloren paradijs in Rusland, in het gevolg van de tsaar. Het bolsjewisme heeft het leven van Nabokov en Pnin definitief in de war gegooid. De twee Russische bannelingen delen een ongenoegen over de psychiatrie.

    Het is niets anders dan een soort microkosmos van het communisme- al die psychiatrie, mopperde Pnin. Waarom de eigen smart niet overgelaten aan de mensen zelf? Is smart, vraagt men zich af, niet het enige werkelijke bezit van de mensen, op de hele wereld?


    Pnin, wiens Engels even gebrekkig is als zijn gebit, leeft zich graag uit in taalspelletjes. Taal is een veilig domein voor iemand die van de samenleving niets dan tegenspoed verwacht. De behoefte met taal te spelen doet een groot beroep op de spitsvondigheid van de vertaler. Zij, Else Hoog, lijkt zich hier knap doorheen te slaan. De onbeholpenheid van Pnin levert hem veel krediet op bij de lezer. Je voelt met hem mee als hij zich staande poogt te houden binnen die merkwaardige Amerikaanse biotoop waar hij door het toeval verzeild is geraakt. Pnin laat zich van zijn beste kant zien als hij zich inzet voor de opvoeding van de zoon van zijn ex-echtgenote. Zij weet hoe je Pnin, die overigens niet de biologische vader is van de zoon, moet manipuleren en hij vindt het wel best. De machinaties in zijn omgeving die het einde in zicht brengen van zijn tijdelijke aanstelling ontgaan hem ook grotendeels. Hij heeft zich verzoend dat zijn tragische binnenkomst waar dan ook in het academisch milieu, begeleid wordt door een zweem van stilte. Pnin weet te voorkomen dat hij koketteert met zijn onhandigheid. Nabokov heeft als schrijver een kunstgreep toegepast door niet Pnin zelf als verteller te laten opdraven. Die rol is weggelegd voor een generatiegenoot, eveneens een Russische emigrant. Deze verteller heeft het over Pnin als een goede vriend. Op die manier krijgt de lezer toch mee wat Pnin zelf in zijn zogenaamde onschuld ontgaat. Dat resulteert in een verkapte autobiografie en in een schitterend portret van een cultuur die nu onherroepelijk is verdwenen. Een gapend gat blijft achter. Maar gelukkig hebben we het boek nog. Mijn beeld van Nabokov is bijgesteld. Met Speak memoryen Lolita behoort Pnin tot de monumenten van de literatuur..