Leesimpressies

  • Yusuf Altigan: De lanterfanter

  • Nr. 26 - 2016
  • De roman De lanterfanter geldt als een modern werk in de Turkse literatuur. Dit jaar verscheen de Nederlandse vertaling. Toch dateert het origineel al uit 1959. Recep Tayyip Erdogan werd in dat jaar vijf. Zou hij toen al een rancuneus mannetje geweest zijn dat zijn klasgenootjes op de kleuterschool opriep tot klikken? Vond hij toen ook al dat iedereen die met hem van mening verschilt een terrorist is? We weten het niet. Een lanterfanter zal hij wel niet geweest zijn. Daar is hij te ambitieus voor. Ik hoop dat Erdogan De lanterfanter heeft gelezen. De man kan niet genoeg met afwijkende opvattingen geconfronteerd worden. De grote Turkse schrijver Orhan Pamuk rekent zich tot de bewonderaars van schrijver Atilgan maar dat werkt op Erdogan waarschijnlijk averechts. Pamuk weigert de Armeense genocide te ontkennen net als de moord op 30.000 Koerden. Dat is geen aanpak om bij Erdogan in het gevlij te komen. Dictators hebben een hekel aan feiten. Mijn afkeer van Erdogan onthult geen enkele sympathie voor Fethulla Gülen, nog zo’n belegen Turkse leider die droomt van een islamitisch wereldrijk Laten we de roman beschouwen op een politiek neutrale manier zonder door een bril van Erdogan of Gülen te kijken. Literatuur is niet vrijblijvend maar verschilt van een politiek pamflet. Fethulla Gülen werd trouwens achttien in het jaar dat de roman het licht zag, een leeftijd waarop je belangstelling voor literatuur kunt opvatten.

    In de roman krijgt de lanterfanter als naam de aanduiding C. mee. Meer vindt de schrijver kennelijk niet nodig. Zo gaat de hoofdpersoon in de anonimiteit van de samenleving onder. Die samenleving tekent zich af in de stad Istanbul, hoewel ook die niet bij naam genoemd wordt. De talloze geografische aanduidingen wijzen onmiskenbaar in de richting van deze grootste Turkse stad. C. zwerft door de stad. Hij zit in trams, in baklavasalons, in bioscopen enzovoorts. Dankzij een erfenis hoeft hij niet te werken. Hij luistert naar de hoorn van een veerboot of kijkt eens naar een politieman die vanaf een verhoging met behulp van stokje en fluit het verkeer regelt. We weten dat hij 28 jaar oud is. Hij is het prototype van de buitenstaander. Hij doet niet mee. Of dat een kwestie is van niet kunnen of niet willen blijft onduidelijk. Misschien wel van beide. De ledigheid bevalt hem. Ooit bezocht hij de kunstacademie maar dat vond hij na vier maanden welletjes. Af en toe maakt C. een praatje met een passant maar de mensheid kan hem gestolen worden. Eigenlijk heeft hij maar één hartstocht. C. jaagt op vrouwen. Hij kijkt om zich heen of hij iets van zijn gading aantreft. Dan oefent hij voor zichzelf hoe hij met de uitverkorene in contact kan komen en voegt de daad bij het woord.

    Sinds ik zie hoe hypocriet, hoe onecht, hoe lachwekkend de waarden in de samenleving zijn, ben ik op zoek naar het enige houvast dat niet lachwekkend is: ware liefde! Een vrouw. Een vrouw die denkt dat we genoeg hebben aan elkaar, die denkt, voelt, bemint net als ik


    C. boekt succes. Hij verkeert een tijdje met Ayse en ook met Güler. Begrepen worden door de mensheid is een illusie. Alleen liefde vormt een medicijn tegen de eenzaamheid. Dat is de drijfveer voor de zoektocht van C.. Toch eindigt de romantiek telkens in een desillusie. “Er waren meer vrouwen op de wereld dan nodig was, maar die ene was er niet.” De conclusie is onvermijdelijk. “Zelfs twee mensen die van elkaar houden hebben niet op hetzelfde moment dezelfde gevoelens. “ Wat C. eerst gezien heeft als de verlossing in wat hij noemt een tweepersoonssamenleving , blijkt uiteindelijk gebaseerd op drijfzand. Liefde waait over. C. blijft achter als dolende ziel. Een bijzondere vondst in het boek is dat de schrijver Ayse en Güler als tegenwicht zelf ook aan het woord laat. De eerste in de vorm van een dagboek, de laatste per brief. Dan worden de gebeurtenissen die we al kennen via de perceptie van C. voor de tweede keer opgediend. Hun weergave is bijna identiek aan die van C. met een enkele uitzondering. Die afwijking geldt als indicatie van hun onbetrouwbaarheid. De enige waarheid reserveert de schrijver voor C. Dat onderstreept nog eens extra zijn isolement.
    Yusuf Altigan schetst een beeld dat verwant is aan het existentialistische levensgevoel dat bekend is vanuit de naoorlogse Franse literatuur. Vertaalster Hanneke van der Heijden wijst in haar nawoord op de merkwaardige paradox dat de dominante stroom in de Turkse literatuur destijds bestond uit schrijvers uit de grote stad die via sociaal realisme het leven op het platteland in de schijnwerper plaatsten. Altigan daarentegen beschrijft het leven in de grote stad terwijl hij zelf teruggetrokken in een dorp woonde. Helaas is van Altigan niet veel werk bewaard gebleven. Hij heeft het nodige werk zelf vernietigd omdat het niet voldeed aan zijn hoge eisen. Voor de Erdogans en Gülens valt uit de roman als boodschap te destilleren dat zich in een mensenleven wezenlijke gevoelens kunnen afspelen waartoe de politieke of religieuze propaganda geen toegang heeft. Dat is een zegenrijke gedachte.