Leesimpressies

Breyten Breytenbach: Hondenhart
- Nr. 7 - 2025
- Eind vorig jaar overleed Breyten Breytenbach op 85-jarige leeftijd. Hoewel hij ook in Nederland een vooraanstaande reputatie genoot, ben ik niet erg bekend met zijn werk. Tijd voor een inhaalslag. Breytenbach was een veelzijdig man. Hij schreef gedichten, essays, romans en pamfletten. Ook was hij beeldend kunstenaar. Breytenbach schreef in het Afrikaans. De relatie met zijn afkomst was ambigu. Opgegroeid in de provincie West-Kaap was hij verknocht aan zijn geboortegrond, aan de mensen en aan de natuur. Hij sprak over de wind die altijd jammerde. Tegelijk was hij een geharnast tegenstander van het begrip dat het Afrikaans de wereld schonk: apartheid. Hij betaalde met een verblijf van zeven jaar in de gevangenis de tol voor zijn opvattingen. Hij noemde het Afrikaans de bastaardtaal van een bastaardvolk. Sterker nog aan die achtergrond schreef hij het puriteinse mensbeeld toe dat de apartheid zou baren. Gerechtvaardigd door een sausje van de christelijke kerk die nooit te beroerd is om een positie naast de heersende macht te kiezen. De politieke situatie zorgde ervoor dat Breytenbach vele jaren van zijn leven buiten zijn vaderland doorbracht. Hij en zijn van origine Vietnamese echtgenote bezaten de Franse nationaliteit. In literair opzicht geldt de auteur vooral als dichter, een woorddwaas zoals hij zelf eens zei.
Mijn voorkeur in het werk van Breytenbach gaat vooral uit naar zijn autobiografische werk. In 1977 schreef hij Een seizoen in het paradijs wat een reisverslag bevat van een hernieuwd bezoek aan zijn geboortegrond. Zijn vrouw kreeg bij wijze van uitzondering een vrijgeleide. Gemengde huwelijken waren in Zuid-Afrika toen verboden. De veiligheidsdienst volgt Breytenbach met grote belangstelling. Wat doet hij en met wie heeft hij contact. Uiteindelijk zou hij de gevangenis niet ontlopen. Hij schreef over die periode De ware bekentenissen van een witte terrorist waarin hij duidelijk maakt wat een dergelijke vrijheidsberoving met iemand doet. In 1998 volgt Hondenhart. De apartheid is ten einde gekomen. Het land is veranderd maar de littekens blijven zichtbaar. Zijn ouders leven niet meer, Mandela is inmiddels president, bisschop Tutu is actief bezig in de Waarheidscommissie in de hoop op verzoening. Het is spoor zoeken naar herinneringen.
Ik ken dit land en toch ben ik hier een vreemdeling. Ik ben te lang weggeweest. Ik moet een manier vinden om dichterbij te komen. Je beweegt je vooruit en achteruit over je land, over de bladzijde
De afstand die Breytenbach voelt werpt geen smet op zijn liefde voor het Afrikaans. Die taal is volmaakt geschikt om de specialiteit van een schrijver te volgen: het schrijven van het zelf en het herschrijven van de wereld. Het gaat om zelfverwerkelijking en revolutie. Breytenbach ervaart dat anderen jegens hem een zekere reserve in acht nemen. “Hoe krijg je greep op zo’n stekelige kerel met zijn arrogantie van buitenissige ideeën, zijn vreemde kleren, zijn vrouw uit een of ander buitenland, zijn onvoorspelbare scherpe tong?” Herinneren gebeurt vaak langs elkaar heen.
In zijn zoektocht bevindt Breytenbach zich in een museum waar een foto van een struise vrouw indruk op hem maakt. Het betreft een vroedvrouw die ongeacht de huidskleur van de boreling haar werk doet. De foto inclusief de bijbehorende dokterstas staat afgebeeld in het boek. Het blijkt zijn overgrootmoeder te zijn.
De omstandigheden in de West-Kaap zijn rauw. Talloze moordpartijen en verkrachtingen passeren de revue. Wilde dieren bepalen de omgeving. Je hebt er luipaarden, bavianen en slangen om nog maar te zwijgen over agressieve honden, lokale naam boerboel, die zo maar je hand af kunnen bijten. Een populaire bezigheid voor sommige boeren is het houden van struisvogels. Ze paraderen als ijsbergen langs de hekken. Ze zien eruit als gepensioneerde Bolsjoi-balletdansers. Er is ruimte voor mythevorming. Als kind krijgt Breytenbach te horen dat hij van de bavianen afstamt. Zijn ouders hebben een vertrouweling op pad gestuurd om hem als kleine baviaan aan de bergen te ontrukken. Bij terugkeer maakt de vroedvrouw een tobbe met heet water gereed. Het haar wordt eraf geschraapt en de staart afgehakt. Gewikkeld in een handdoek ben je dan gereed om aan je moeder gepresenteerd te worden.
Tot de charme in het werk van deze auteur, een wittige schrijver, behoort zijn verbale losbandigheid. Dat vormt echter soms een obstakel tot een goed begrip van het geschrevene. Breytenbach gebruikt circa veertig koosnaampjes om zijn vrouw mee aan te duiden. De argeloze lezer kan gemakkelijk denken dat het over even zovele personages gaat. Een broer en de man van zijn zuster moeten genoegen nemen met vier koosnaampjes. Een verklarende namenlijst schept orde in de chaos. Personen krijgen een beeldende kwalificatie. Zo is er een taxichauffeur, ook al weer iemand met wie het slecht afloopt, die de naam Koos Karretjie draagt. Melancholisch zijn de bezoeken die Breytenbach aflegt aan vrienden en bekenden die in de terminale fase van hun leven vertoeven. Herinneren is geen vrijblijvende activiteit. “Je wordt betoverd door ritme en ruimte van je jeugd, het landschap van onschuld en vreugde. Ze geven je ruimte om je latere leven door te komen, ze bakenen je dromen af en laten ze resoneren.” Mooi dat dit is vastgelegd.
middelr@xs4all.nl
