Leesimpressies

  • Flann O Brien: Tegengif

  • Nr. 17 - 2025
  • At Swim-Two-Birds uit 1939 wordt al geruime tijd tot de hoogtepunten van de literatuur uit de twintigste eeuw gerekend. Daar was wel een lange aanloop voor nodig. Recensenten zagen er weinig in. Het zijn vooral schrijvers geweest die voor een keerpunt in de waardering hebben gezorgd. A writers writer dus in de ogen van Jorge Luis Borges, Graham Greene, Dylan Thomas en James Joyce. Ik heb enkele pogingen gedaan de roman van Flann O’Brienn te consumeren. Voor de eerste poging vormde Anthony Burgess de aanleiding. Hij publiceerde in 1984, een jaar dat klinkt als een boektitel, “99 novels”. Daarin behandelt hij boeken die hij tot de hoogtepunten in de Engelstalige literatuur rekent. Als startpunt neemt hij 1939 met de vermelding van “Finnegans wake” van Joyce en “At Swim-Two-Birds”. De complexiteit van het werk stond voor mij de verovering van het werk in de weg. Het boek blinkt uit in taalacrobatiek en is opgebouwd uit door elkaar lopende verhalen met veelvuldig uitstapjes naar Ierse mythologie. Ook Burgess spreekt over een moeilijk toegankelijk werk. Ik besloot me niet te laten kennen en deed een paar jaar later een nieuwe poging. Met hetzelfde resultaat. Toen verscheen vorig jaar in vertaling “Het Dalkey-archief” van Flann O’Brien. De vertaling was van Robbert-Jan Henkes, een man die met het werk van James Joyce al eerder kunststukjes had volbracht.

    Opeens voelde ik me een populistische politicus die niet langer wegkijkt bij de stikstofproblematiek maar actief op zoek gaat naar een geitenpaadje. Het Dalkey-archief vormde een heerlijke leeservaring. Het is een boek waarin de plot wat verscholen gaat achter pasteltinten maar waarin veel te genieten valt. Er komt een waanzinnige geleerde in voor die op het punt staat de wereld te vernietigen. James Joyce is niet langer dood maar blijkt een anoniem bestaan als barman te vervullen en zou een bijdrage kunnen leveren aan de redding van de wereld. Dan is er een politieman die vanwege de hobbelende Ierse wegen de overtuiging is toegestaan dat een mens in een fiets kan veranderen en andersom. Enzovoorts, enzovoorts. Mijn geitenpaadje bestond uit een vertaling van de ongrijpbare Ierse roman. Schrijver Bob den Uyl had die taak op zich genomen, iemand die wel raad weet met geestigheid. In 1974 verscheen de vertaling met als titel Tegengif. In 2010 verscheen het werk onder een nieuwe titel op de markt, Op Twee-vogel-wad. De tweede titel bleef dichter in de buurt van het origineel. De eerste bladzij biedt direct al zicht op de geloofsbrieven van de auteur.

    Ik peinsde over het onderwerp van mijn literaire activiteiten in mijn vrije tijd. Eén begin en één einde voor een boek was iets waar ik me niet mee kon verenigen. Een goed boek kan volkomen verschillende inleidingen hebben, waarbij het onderlinge verband alleen in de voorkennis van de auteur bestaat


    Flann O’Brien past in zijn roman drie verschillende verhaallijnen toe. In de eerste verhaallijn speelt Pooka Mac Phellimey de hoofdrol. In de tweede verhaallijn is die positie voor de jeugdige John Furriskey die op zijn beurt weer geschapen is door een ander personage. De derde verhaallijn handelt over Ierse legendes onder meer Mad King Sweeney betreffende. Dan zorgt de verteller zelf nog voor een extra dimensie. De verteller is een jonge student Ierse taal die samenwoont met een oom. De oom leest de neef flink de les. Hij drinkt te veel, ligt eindeloos in zijn bed, ouwehoert maar met zijn vrienden in plaats van te studeren. Het onderscheid in verhaallijnen lijkt voor enige ordening te zorgen. Schijn bedriegt. De verhaallijnen lopen voortdurend door elkaar heen en de jonge student raakt verwikkeld in de belevenissen van zijn verzonnen personages. Het levert een roman op van Meta niveau waar Zuckerberg niet aan kan tippen. Er staat geen maat op de beschreven gebeurtenissen. O’Brien doet aan satire, fantasie, klucht, experimenteerdrift en mythevorming pendelend tussen diepgang en trivialiteit. Bestaande teksten van elders duiken tussen de bladzijden op zoals staaltjes poëzie.
    Als tijdens een rechtszaak een sprekende koe wordt opgeroepen als getuige dan kijkt de lezer niet verbaasd op. Waarom niet, is de logische reactie. Dan zijn er intermezzi waarin sport beoefend wordt. Er wordt gepokerd en schaak gespeeld in het boek. De jonge student krijgt tips in handen gespeeld met beloftevolle aanwijzingen voor weddenschappen op paardenraces. Niets is de auteur te dol. Flann O’Brien wordt met James Joyce en Samuel Beckett tot de kopstukken van de Ierse literatuur gerekend. De andere twee zochten hun heil in het buitenland. O’Brien bleef zijn vaderland trouw al was het maar om zijn dagelijkse columns te produceren voor The Irish Times, die vaak de taal als onderwerp hadden. Ten faveure van O’Brien merkte Maria Kager in NRC op dat hij geestiger was Joyce en Beckett samen. Daar valt weinig op af te dingen. Wie werk van Flann O’Brien, pseudoniem voor Brian O’Nolan die leefde van 1911 tot 1966, wil lezen kan terecht bij vijf romans. Chronologisch zijn dat At Swim-Two-Birds, The third policeman, The poor mouth, The hard life en The Dalkey archive. Het lezen van een vertaling dient niet uitgesloten te worden.
    middelr@xs4all.nl

    Terug