Leesimpressies

  • Guus Luijters: Hoe Tarzan de Tour de France won

  • Nr. 29 - 2022
  • Tijdens de Tour de France showen de boekwinkels hun wielerboeken. In veruit de meeste gevallen gaat het om non fictie, gedrenkt in heroïsche massageolie. Guus Luijters koos voor een fictieve invalshoek. Hij schreef een roman met als hoofdfiguur een jongetje dat opgroeit in Amsterdam vlak na de Tweede Wereldoorlog. Zijn held is de coureur Hein van Breenen beter bekend als Tarzan. De renner was in het echt voorbestemd om te knechten zodat een tourzege niet voor de hand lag. Luijters geeft zijn hoofdpersoon een flinke dosis fantasie mee. Dat is natuurlijk eerder gedaan: een jongen die vol verbazing naar de wereld van de volwassenen kijkt en zijn dromen najaagt. In 1923 publiceerde Theo Thijssen “Kees de jongen”, wat een klassieker in de Nederlandse literatuur zou worden. Ongeveer een eeuw later lanceert Luijters zijn Tom. Dat is een gedurfde poging. Luijters probeert dezelfde sentimenten te vangen maar komt niet in de buurt van het origineel. Waar dat in zit, probeer ik hieronder te verklaren. De vraag blijft voor mij open hoe iemand deze roman zou wegen zonder voorkennis van “Kees de jongen”. Overigens is Theo Thijssen niet de enige inspiratiebron geweest voor Luijters. Er vallen evenzeer vleugjes Gerard Reve, Nico Scheepmaker en Tim Krabbé te herkennen. Is er sprake van een eerbetoon of van epigonisme?

    De lezer leert Tom en zijn familieleden kennen. Vader repareert horloges. Tom heeft een fascinatie voor sporthelden. Wielrennen staat bij hem voorop. Boksen, voetbal en atletiek hebben ook zijn belangstelling. Luijters appelleert veel aan het collectief bewustzijn. Bekende feiten dienen zich aan. De val in het ravijn van Wim van Est, de fiets die Fanny Blankers-Koen kreeg als beloning voor haar vier gouden medailles op de Olympische spelen. Sommige wielrenners en sommige voetballers behoren tot de kennissenkring van Toms omgeving wat hen extra aanraakbaar maakt. Buiten de sport komen de watersnoodramp en de affaire Greet Hofmans aan bod. Het zijn de naoorlogse jaren van wederopbouw. Amsterdam breidt uit. Binnen de schimmige familieverhouding galmt de oorlog na. Een oom van Tom, de broer van zijn moeder, was fout.
    De lezer raakt deelgenoot van de angsten waaraan Tom ten prooi valt. Zo raakt hij ervan overtuigd later in de hel te komen omdat zijn ouders weigeren te geloven dat Jezus over het water kon lopen.
    Tom speelt graag met buurjongen Theo en zijn Rosa Overbeek heet Lexie die van Indische komaf is. Met zijn vrienden vlucht hij in een fantasiewereld. Ze richten een geheime club op, denk aan Werther Nieland van Reve, spreken een geheimtaal en ontwikkelen een eigen Tour de France spel waarbij Tarzan hoge ogen zal gooien. De vriendenclub ontwerpt een netwerk waarbij de routes van rijwiel, boot, tram en bus verwerkt zijn.

    Het enige wat nu telde, was ervoor te zorgen dat hij iedere dag tijdens de hele etappe Tarzan van Breenen was, want als hij het vergat kon alles nog mislopen. Maar er liep niets mis, want hij had steeds goed opgelet


    De onbevangenheid van Tom maakt hem sympathiek maar hij gaat bij lange na niet zo onder je huid zitten als Kees Bakels. Luijters vertelt het verhaal in de derde persoon enkelvoud. Wel valt uit het taalgebruik af te leiden dat het jeugdig perspectief van Tom in de schrijfstijl doorklinkt. Dat levert soms kreupele zinnen op waarbij je de vraag kunt stellen of het hier een poging betreft de ontluikende jongensziel met groeistuipen in de taal recht te doen dan wel dat de auteur zelf even de scherpte miste. In de eerste persoon enkelvoud zou de identificatie met Tom sterker zijn. Weliswaar gebruikt Thijssen, wat in die tijd gangbaar was, ook de derde persoon enkelvoud maar hij last vaak dialogen in waarbij Kees zelf aan het woord komt. Luijters gebruikt heel weinig dialoog en bij Tom blijft er dan sprake van hij. Kees praat in de ik-vorm. Je komt daarom als lezer veel dichter bij Kees dan bij Tom.
    Het grootste struikelblok bij het lezen was het taalgebruik. Naar schatting meer dan 500 keer in de niet al te omvangrijke roman gebruikt Luijters het woord maar. Op bladzij 22 komt dit woord 8 keer voor, op bladzij 138 7 keer. Opdracht: zoek zelf 7 bladzijden waarop het woord 5 keer voorkomt. Andere woorden die een te overvloedig gebruik kennen zijn want en waar.
    Daarnaast zijn er de nodige gebreken van kleiner gewicht. Sporthelden figureren in het boek onder hun eigen naam. Toch spreekt Luijters bij herhaling over Kuki Rol, terwijl de vader van Ruud Krol echt niet zo heette.
    Nooit eerder las ik een boek van Guus Luijters hoeveel hij heel wat werken op zijn naam heeft. Ik moet bekennen dat de beeldvorming, hoe versimpelend en onrechtvaardig ook, daarbij een rol speelde. Jeroen Brouwers gebruikte hem ooit als kop van Jut in zijn polemische periode die overigens lang duurde.. Ik had daar liefst een enthousiast betoog tegenover willen stellen. Wie weet bij een volgende gelegenheid.
    middelr@xs4all.nl

    Terug